IK STEUN PASCAL FINANCIEEL
IK VERGEZEL PASCAL NAAR HET CNPK

Pascal zit op een bankje in de ‘Service d’Urgences’ waar mensen in crisis worden opgevangen. De man geeft aan dat hij liever niet geïnterviewd wil worden. Als ik stil naast hem blijf zitten begint hij te vertellen.

Pascal is technicus in een laboratorium in Cankuzo, een stad op ongeveer 210 km van Bujumbura. In België zou je die afstand waarschijnlijk op twee uur afleggen. In Burundi betekent het een tocht van minstens vier à vijf uren. Zijn vrouw heeft hem helemaal van Cankuzo naar het CNPK begeleid maar is inmiddels weer naar huis vertrokken. Zijn garde-malade brengt een flesje water dat Pascale dankbaar in ontvangst neemt.

Hij is een oude bekende in het CNPK. Hij is al een hele tijd in behandeling. Steeds vaker wordt hij geconfronteerd met herval en nu is hij weer terug. Hij zucht. Pascale wacht op zijn transfer naar het ‘Pavillion Hommes’.

In Burundi zijn psychotrope geneesmiddelen niet bij elke apotheek verkrijgbaar, zelfs niet op bestelling. Om die reden krijgen de mensen die het CNPK verlaten geneesmiddelen mee voor een langere periode. Ten minste als ze daar de centen voor hebben, want een goed uitgebouwde sociale zekerheid is er niet voor iedereen. De meeste mensen moeten altijd weer de afstanden naar het CNPK overbruggen waar ze hun psychotrope medicijnen aankopen. Dat eist veel van hen en sommigen slagen er niet in om tijdig de noodzakelijke medicatie in huis te halen. Het herval in Burundi is groot.

Maar Pascal vertelt me dat hij altijd heel plichtsbewust zijn medicatie inneemt. Hij heeft het dan ook moeilijk om te aanvaarden dat hij steeds vaker weer in crisis terecht komt.

Pascal is 59 jaar oud en hij kijkt uit naar zijn pensioen. Hij vraagt me hoe oud ik ben. Ik antwoord. Het blijft even stil tussen ons. Ik vraag of hij kinderen heeft. Zijn ogen beginnen te stralen. Zijn zoon Mike studeert voor laborant aan de universiteit van Bujumbura. Hij werd vernoemd naar Mike Brant, een zanger die vooral in de jaren 70 in Frankrijk succes kende. Zijn dochter Ixelle is verpleegster. Ik schrijf haar naam op een blaadje. Zoals Elsene, maar dan in het Frans. Nee, zegt hij, zonder “s” op het eind.

Al had ik het niet helemaal bij het foute eind, want Pascal is ooit nog in Brussel geweest. Waarop hij me vraagt waar ik vandaan kom. Hij wil de reden van ons bezoek kennen. Ik vertel hem over Multiversum en ons partnerschap met het CNPK. Hij is enthousiast en dankbaar ook. Hij hoopt dat we veel kunnen betekenen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid in Burundi.

IK STEUN PRISCILLE FINANCIEEL
IK VERGEZEL PRISCILLE NAAR HET CNPK

Elke donderdag bereidt Priscille, samen met haar collega Marie-Louise, de eucharistieviering voor. Op woensdag nodigen ze patiënten, gardes-malades en medewerkers uit om samen de liederen van de komende viering in te oefenen. Een priester van een naburige parochie gaat voor in de dienst, die deels in het Kirundi, deels in het Frans verloopt. Kirundi is de volkstaal in Burundi.

Na de viering worden we uitgenodigd om plaats te nemen in het bureau van de Pastorale Dienst. Beide dames delen het lokaal, maar hebben ook elders op het domein een ruimte waar ze in alle rust een individueel gesprek kunnen voeren met de mensen. Ze vinden hun inspiratie bij Jezus en in het christendom, maar ze zijn er voor iedereen op het CNPK. In Burundi is 58,6% van de bevolking Rooms-Katholiek, 35,3% is Protestant en 3,4% is moslim. Ze ontmoeten elke patiënt die opgenomen wordt. Dat is best intens voor twee personen. Op het ogenblik dat wij het CNPK bezochten waren er 115 mensen gehospitaliseerd. In totaal beschikt het CNPK over 178 bedden.

Van elke patiënt waarmee ze in gesprek gaan houden ze een fiche bij die deel uitmaakt van het multidisciplinaire dossier. Eén keer per week gaan ze op ronde met het multidisciplinaire team, waarvan ze volwaardig lid zijn. Patiënten op één of meerdere afdelingen worden bezocht en besproken. Hoe zij omgaan met vertrouwelijkheid van informatie die patiënten hen toevertrouwen? Ze laten zich leiden door wat de bisschop hen gezegd heeft: ‘Het gaat om mensen die ziek zijn. Wat jij te horen krijgt kan de artsen helpen. Het is dus in het belang van de patiënt dat je informatie deelt. Het medisch dossier maakt al deel uit van geheimhouding, dus is er geen schending van vertrouwen.’ Aspecten die behoren tot de persoonlijke geloofsbeleving of spiritualiteit van een patiënt worden niet gedeeld.

IK STEUN MEDI FINANCIEEL
IK VERGEZEL MEDI NAAR HET CNPK

In het CNPK werken 186 personeelsleden. Médiatrice (ze wordt Médi genoemd) Nsengiyuma is er adjunct-directeur zorg. Ze is vol enthousiasme over ‘haar’ verpleegkundigen. Niets dan lof voor de moeilijke omstandigheden waarin deze mensen soms werken. “Het zijn lange dagen, het is warm, de patiënten zijn dikwijls overstuur, … En toch staan mijn mensen hier iedere dag weer, klaar om te helpen.”

Als ze over de patiënten praat, breekt haar hart. “De mensen komen hier binnen met niets, en wij kunnen ze niet geven wat ze nodig hebben. Veel matrassen zijn versleten. We snijden de goeie in twee en zo kunnen we twee patiënten helpen. Nu ja, helpen, op een halve matras slapen is niet echt aangenaam. Ze hebben geen zeep of andere toiletartikelen, geen kleren, … Dat doet me pijn aan het hart.”

 

IK STEUN CHARLOTTE FINANCIEEL
IK VERGEZEL CHARLOTTE NAAR HET CNPK

Als je in België wordt opgenomen in het ziekenhuis, dan zorgt het ziekenhuis voor jou, niet alleen op medisch vlak maar ook voor eten, poetsen van de kamer, toedienen van medicamenten, wonden verzorgen, enz. Niet zo in Afrika. In alle ziekenhuizen is een patiënt vergezeld van een garde-malade. Dat is meestal een familielid, soms een vriend, die gedurende de hele periode bij de zieke blijft en voor hem of haar zorgt: eten klaar maken, de was doen, medicamenten geven volgens schema, enz. Het is een zware inspanning want er zijn eigenlijk geen voorzieningen voor de gardes-malades. Ze slapen buiten of op de grond naast de patiënt, soms zelfs in het bed van de patiënt. Ze koken in een openbare ruimte en ze moeten op één of andere manier aan geld geraken om eten te kopen en of andere zaken die de patiënt nodig heeft.

Charlotte (foto), Mwajouma en Thacienne zijn drie mama’s. Ze zijn hier alle drie met hun zoon die opgenomen is, de ene 1 maand, de tweede 2 maanden, de derde 4 maanden. Ze wonen zo ver dat ze niet even naar huis kunnen. En vooral voor Thacienne is dat zwaar want haar zoon verblijft hier al 4 maanden. “Ik mis mijn familie”, zegt ze stilletjes. De andere vinden het vooral moeilijk om geld bijeen te schrapen om dat eten te kopen. “Ik verkoop kleine spulletjes”, zegt Charlotte, “en met die winst koop ik dan wat eten.” Wat die spulletjes zijn, kan of wil ze niet uitleggen. Ze kijken elkaar even aan en lachen dan. Ze lachen veel ondanks de ellende, want alle drie zijn ze blij dat hun zoon opgenomen is in het CNPK waar hij tenminste behandeld wordt en medicamenten krijgt. Ze hopen dat hij beter wordt. Zelfs al blijven ze daardoor lang van huis en slapen ze op de grond naast hun zoon.

Een beetje op afstand staat een jongeman, Eddy, 16 jaar of zo. Of hij hier is voor zijn broer? “Nee, voor een vriend van mijn broer.” Maar waarom doe je zoiets? Hij haalt de schouders op. “Par amour, uit liefde.”

 


Foto: Joost Van Heesvelde

IK STEUN SALVATOR FINANCIEEL
IK VERGEZEL SALVATOR NAAR HET CNPK

Ergotherapie in CNPK, een grote kamer, drie lange tafels, een zithoek en een kast met materiaal. Een 15-tal patiënten druppelen binnen. Sommigen op hun eentje, anderen zijn opgehaald door de Salvator, dé therapeut.

Ze worden in groepjes ingedeeld: een groepje maakt tapijtjes, een andere zakjes voor de medicamenten, een derde creëert ‘palmbomen’, met oud papier en afgeknipte waterflesjes.  Soms gaan ze werken in de tuin of zingen ze. “Dat is hun favoriete bezigheid”, zegt Salvator (foto). “Eigenlijk alles wat met expressie te maken heeft, want veel patiënten kunnen zich niet uitdrukken.”

Na een tijdje wisselen de groepen, zodat iedereen alle activiteiten heeft gedaan. Na afloop volgt een gesprek met iedereen in een ronde, wat heb je geleerd vandaag, waarom ben je hier, …

Na drie uur zit de therapie erop en gaat iedereen terug naar zijn afdeling. Op één week tijd moeten alle patiënten minstens een keer langs gekomen zijn op de therapie. Tenminste, degene die dat kunnen. En als er knutselmateriaal is. Wol bijvoorbeeld om tapijtjes te maken. En therapeuten om hen te begeleiden.

“De patiënten zijn hier open, vertellen over hun leven, ze komen hier graag. Op hun afdeling voelen ze zich opgesloten, in hun kamer, op hun eentje. Ze hebben er te veel tijd om na te denken en worden dan overspoeld door negatieve gedachten: “ik geraak hier nooit meer weg”, “mijn familie heeft me verstoten”. Hier zijn ze bezig, kunnen ze hun gedachten even verzetten.”

“Wat ze liefst doen? Zingen, muziek maken.”

   


Foto: Joost Van Heesvelde

IK STEUN JOSEPHINE FINANCIEEL
IK VERGEZEL JOSEPHINE NAAR HET CNPK

Josephine is 24 jaar en is een jaar geleden met een psychose en agitatie opgenomen geweest. Ze komt nu elke maand naar de polikliniek van het CNPK en is met medicatie stabiel. Josephine had een alcoholische vader die sloeg. In haar jeugd werd nooit naar haar geluisterd. Ze trouwde en kreeg twee kinderen, van wie er één overleed. Ze had problemen met haar schoonmoeder en raakte erg in de war. Haar man denkt nog steeds dat ze haar klachten simuleert. Haar schoonmoeder heeft ondertussen wel begrepen dat ze in de problemen zat; dat heeft Josephine haar kunnen uitleggen na een aantal gesprekken met de psychologe hier.

Prachtig resultaat dus, het stigma voorbij, doorgaan bij die psychologe. Welke medicijnen verder? Wat haar betreft steeds minder. Josephine is een voorbeeld van wat je hier kunt bereiken: zelfvertrouwen.