Af en toe heb ik geen tijd om te koken en soms eet ik dan in het nabijgelegen klooster van de Broeders van Liefde, waar momenteel veel gastbroeders komen en gaan. Het levert interessante gesprekken op. Zo was er een broeder uit Tanzania die werd geplaagd omdat hij geen Burundees (Kirundi) meer sprak, terwijl hij hier is geboren. Hij werd Simon genoemd, maar dat moest zijn tweede naam zijn, en ik vroeg hem naar zijn echte naam. Hij heette Rtuma, wat iets als ‘blijf’ betekent, maar daar zat een verhaal bij. Toen hij zijn ouders eens vroeg waarom hij zo heette, wilde zijn vader niets zeggen. Zijn moeder legde later uit dat zij hem Ntuma had willen noemen, dat wil zeggen ‘ga weg’. Vader en moeder hadden destijds ruzie en vader had uit boosheid bevolen het omgekeerde van moeders keuze als naam te gebruiken: Rtuma. Alle broeders kwamen met suggesties ter verklaring, bijvoorbeeld dat zijn oudere broers misschien zo ondeugend waren geweest, dat zijn moeder daarom het volgende kind wilde wegsturen. Het was een hilarisch gesprek. Zelf hield Simon het erop dat zijn moeder bedoelde ‘groei op, wordt een goede volwassene, ga je weg,’ een liefdevolle gedachte. Daarna moesten ook anderen hun namen verklaren en het werd echt gezellig. Ik heb allerlei moois gehoord. Toen ik mijn naam moest noemen, zei ik Hakizimana, want dat is mijn bijnaam hier, het Burundese Janssens. Die naam betekent ‘genezen met Gods hulp’, weet ik inmiddels. Die buitenlandse broeders begrepen er niets van, zo’n wit mens, hoe kan dat nou. De vaste kern uit het klooster kwam niet meer bij van het lachen om de gezichten van de Tanzanianen, Congolezen en Rwandezen.

Later die avond informeerde ik naar de zieke moeder van een van de broeders. Hij ging altijd vaak naar haar toe. De moeder bleek een maand eerder te zijn overleden en begraven.
‘Dat is moeilijk voor je,’ zei ik tegen die broeder, die ik goed ken als een gevoelig mens.
‘Nee hoor,’ zei hij, ‘je gaat gewoon hier de weg af en dan de hoofdweg en dan na twee uur het pad omhoog.’ Toen ik hem later uitlegde wat ik echt had bedoeld, gaf hij alsnog aan dat hij een rottijd had gehad. Maar daar zaten die andere broeders toen niet bij.

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)

C. is een Burundese vrouw van 26 jaar. Zij is opgegroeid in een gezin waar veel wordt gebeden om slechte geesten weg te houden, maar desondanks is er na haar geboorte door anderen kwaad over haar afgeroepen. Er zou iets slechts komen in haar hoofd.
Als C. 21 jaar is, trouwt ze met een man van een andere stam, waar haar ouders niet zo blij mee zijn. De echtgenoot doet niet veel. Hij woont met zijn twee broers in het huis van zijn ouders, die overleden zijn. C. moet daar na haar huwelijk het huishouden doen en wordt het na verloop van tijd zat om voor de drie mannen te zorgen. Ze wil met haar man ergens anders gaan wonen. Maar de man doet nog steeds niet veel en het gevolg is dat C. zelf een huis gaat bouwen, van leem en losse stenen en rommel, een proces van lange tijd en zonder steun. Daar gaat ze tenslotte met haar man wonen.

Tegen de Burundese gewoontes – en tot haar verdriet – is C. vier jaar na het huwelijk nog niet zwanger. Ze heeft al die tijd gebeden, zoals ze van kinds af aan gewend is, om een zwangerschap, maar dat heeft niet geholpen. Dan overlijdt haar moeder. Kort daarna blijkt C. dan toch in verwachting. Ze bereidt zich, zonder hulp, voor op de bevalling. De bevalling verloopt moeilijk en C. moet met spoed naar een “kliniekje”, waar haar kind met een keizersnede ter wereld wordt gebracht. Hierna wil C. haar kindje verstoten. Ze zegt dat het niet haar kind is, dat er te veel geesten zijn en dat er iets in haar hoofd rondcirkelt. Ze kan precies aangeven wáár in haar hoofd. C. zegt tegen anderen dat ze kwaad heeft gedaan. Haar gedrag is verward. Haar man besteedt er geen aandacht aan en komt niet opdagen. Hij gaat weer bij zijn broers wonen. C.’s vader wil niets meer met zijn, door een geest beïnvloede, dochter te maken hebben. Tenslotte worden de oudere broer en zus van C. door een verpleegkundige opgetrommeld om voor C. en de baby te zorgen. Na enige aarzeling komen zij C. en haar baby ophalen. C. blijft in de war, wordt agressief en bijt steeds in haar armen. Haar zus brengt haar dan naar ons ziekenhuis.

C. vertoont hallucinaties en uit schuldgevoelens. Steeds geeft C. aan dat er iets in haar hoofd cirkelt. Met medicatie wordt zij iets rustiger en na een aantal dagen staat zij open voor contact met een psycholoog. Aan haar vertelt C. in tranen dat ze met een andere man heeft geslapen om zwanger te worden. Daar voelt ze zich schuldig over. Geleidelijk verdwijnen de psychosekenmerken. We vragen aan C. hoe ze aan de gedachte was gekomen dat er iets in haar hoofd cirkelde. Haar antwoord is: ‘Zei ik dat?’ Ze vertelt wat er na haar geboorte is gezegd over de invloed van een geest. Zelf begrijpt ze het wel. Ze was onbewust verplicht om haar slechte gedrag te vertalen in zelfbeschadiging en ‘iets in haar hoofd’. Maar nu wil ze naar huis en voor haar kind gaan zorgen. ‘Dit kind gaat niet opgroeien met geesten,’ zegt ze ferm. We bellen de zus, die met de baby naar ons ziekenhuis komt en enkele dagen zorgt zij samen met C. voor het kind. Het is heel duidelijk dat C. dit aankan. Dan gaat ze met ontslag, terwijl de maatschappelijk werker en de psycholoog haar verder begeleiden. We hebben haar echtgenoot nooit gezien. C. heeft besloten om van hem te scheiden. Zij is dolgelukkig met haar kind en het gaat moeder en kind, nu bijna een jaar later, nog steeds goed. Zij is een gewaardeerd lid van de dorpsgemeenschap geworden en verdient een inkomen als naaister. Haar vader heeft zich met haar verzoend.

Wat wij ervan leren is dat traditioneel geloof een psychose heeft geïnduceerd, met een even onverwacht begin als einde. In latere gesprekken werd duidelijk dat het schuldgevoel van C. haar leven was gaan overheersen. Ze had een vloek over zich gekregen bij haar geboorte, wat ze zichzelf lange tijd verweet. Ze werd niet meer gewaardeerd door haar ouders, die door de ban van de geest al hadden verwacht dat het niet goed met haar zou gaan. Ze koos tegen de traditie in een man die niet bij haar paste en niet door haar ouders werd gewaardeerd, om weg te kunnen gaan bij haar ouders. Verder moest C. in haar eentje veel werk verzetten en was ze wanhopig over haar leven geworden. Haar moeder stierf kort nadat C. met een andere man had geslapen, wat voor haar betekende dat moeders dood haar schuld was. Ze strafte zichzelf met automutilatie en je zou kunnen zeggen, psychotische symptomen. Ook in Europa komen in wanen en hallucinaties soms expliciet paranormale monsters voor, maar iets dat in het hoofd circuleert wordt daar sneller geduid als depersonalisatie. Wat de juiste terminologie ook moge zijn, het kind van C. wordt liefdevol opgevoed en krijgt een ander leven dan haar moeder.

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)

Voor mij voelde die week alsof we een rondreizend circus waren, met een equipe van zeven leraren van het CNPK steeds pendelend tussen drie opleidingszalen in de provincie Rutana om de ziekenbegeleiders en verpleegkundigen in de communes uitleg te geven over psychiatrische symptomen en psychosociale zorg. Onze chauffeur stelde zich voor als ‘Auswaar’, en na enig gepuzzel begreep ik dat dit niet ‘au soir’ was, maar gewoon Oswald. Dat werd al snel Oshe. Ik breek altijd mijn hoofd over het woord ‘dispositif’, omdat dat heel veel betekenissen kan hebben en ik dan niet meteen weet welke er wordt bedoeld. En mijn equipe had een soortgelijk probleem toen ik het woord ‘rouler’ had gebruikt, bedoeld als rouleren: de leraren moesten van lokaal wisselen om de hen toegewezen modules te onderwijzen. Dat bleek niet het goede woord, want rouler betekent rollen óf zoiets als misleiden. Toen we daar eenmaal uit waren, hebben we het woord rouler voor van alles gebruikt en dus veel gelachen. In Rutana is een plaatsje dat Dondedieu (geschenk van God) heet. Dat is weer wel makkelijk te vertalen.
We logeerden in een hotelletje mét licht, maar in mijn beleving zonder water. Toen ik dat zei, was iedereen verbaasd dat zij allemaal wel een bak water in hun kamer hadden gekregen en ik niet. O, ja, een bak water stond er bij mij ook. Dat het niet uit de kraan kwam maakte toch niet zoveel uit …? Mijn buurman ging elke morgen om half 5 naar de kerk en het gepiep van zijn deur was mijn wekker. Een druppeltje olie was wel handig geweest. Al is Rutana een hooggelegen koeler gebied, het wordt toch knap heet onder een golfplaten dak. Rutana is een mooie provincie, met veel grote witte trompetbloemen. Maar ook met veel rommel. Er was geen fruit, er groeien alleen ananassen maar het was niet het seizoen. Eten is altijd een probleem, maar er is wel rijst te vinden, met bruine bonen en aardappels en als je bijbetaalt ook een soort spinazie (lengalenga). Brood is er nauwelijks te vinden, chapati (pannenkoekjes) zijn er soms wel. Ook zijn er voor mensen met iets meer in hun portemonnee brochettes, maar die heb ik gemeden en al helemaal omdat koeienhart niet mijn favoriet is.
Onze cursisten in twee van de drie zalen, ziekenbegeleiders, waren enthousiast en leergierig. De aanwezigheid van zes peuters in de lessen stoorde totaal niet, maar ik denk dat Europeanen geen idee hebben hoe het er hier aan toe gaat. Het is ook bijzonder om mensen op te leiden die niet eens schoenen hebben. De groepen waren zo actief, dat ze zelf betere woorden hebben bedacht, zonder stigma, voor mensen met psychiatrische ziektes. En voor psychosociale problemen gebruikten ze de term ‘de problemen van het leven’, waarbij hun taak is mensen in moeilijkheden te begeleiden. Hoe ga je om met tegenslag, hoe wordt je een sterker mens, dat zijn aspecten die zij graag willen leren. De leraren hebben hierover mooie lessen verzorgd.
In de derde zaal, voor verpleegkundigen met een landconform inkomen, was de groep minder makkelijk. Hier waren verschillende redenen voor maar één ervan was dat ze wilden worden betaald voor hun aanwezigheid terwijl hun salaris bij het gezondheidscentrum gewoon doorliep. Uiteraard krijgen ze net als de andere groepen reis- en verblijfskosten betaald, maar hun stellingname maakte het lerarenteam even van slag. Tot ze doorkregen dat ze over de geldkwestie door de verpleegkundigen werd bedot. Roulé dus! Uiteindelijk keerde de rust weer en werden de lessen door het grootste deel van de aanwezige cursisten met goed resultaat gevolgd en wilde iedereen met de leraren op de foto. Al met al was het een boeiende en leerzame maar ook vermoeiende week. Van de 96 beoogde cursisten hebben we er 93 weten te ‘bereiken’.
Na terugkeer in Bujumbura konden we een beetje uitrusten. Twee van de leraren kwamen in het weekend nog even bij me langs, ‘pour rouler’ haha. Maar ze kwamen gewoon om mee te werken aan het verslag over de trainingen, dat moest worden afgerond.

Op de polikliniek in Bujumbura werd ik vroeger bijgestaan door G., een lieve verpleegkundige die, kort na de geboorte van haar jongste kind, een ongeluk had gehad. Ze had beide benen gebroken en had twee metalen platen in haar gevoelloos geworden benen gekregen. Zonder krukken liep G. alleen hele korte afstanden, maar ze deed gewoon haar werk. Ze was heel innovatief geworden, liep letterlijk niet zoals anderen rond maar had alle benodigde telefoonnummers in haar hoofd, waardoor we heel efficiënt konden werken. Ze had wel een rare tic, ze had altijd een flesje Tipp-ex in haar zak en rook daar elk kwartier aan, wat ze lekker vond. Later ging G. weer terug naar haar gewone werkplek in de kliniek, maar dankzij haar had ik een snelle werkmethode kunnen opzetten.

Een paar maanden later kwam er in de stromende regen een verpleegkundige op me aflopen. Ze liep rustig en was kletsnat. Het was G. ‘Kent u me nog?,’ vroeg ze. ‘Nee,’ zei ik, ‘want de vrouw die ik kende liep met krukken en deze niet.’ Óf ik haar kende, die moedige dame die op eigen kracht was gerevalideerd en aan het werk bleef en tegelijkertijd haar huishouden en gezin op orde had. ‘Maar je hebt vast nog Tipp-ex in je zak om aan te ruiken,’ zei ik. Haar antwoord was helder als G. zelf: ‘Nee dokter, u had me verteld dat dat gevaarlijk kon zijn, dus dat doe ik niet meer. Maar het heeft me toen wel geholpen.’ Ze kwam me nu zoeken omdat er op de vrouwenafdeling een patiënte was waar niemand raad mee wist. Terwijl we samen door de klaterende regen naar de afdeling een meter of 50 verderop wandelden, omdat G. niet snel kon lopen, vertelde G. me over de 38-jarige mevrouw S., met verschillende psychotische episodes en onrust in de voorgeschiedenis. Op de afdeling werden we opgewacht met een handdoek, of iets dat erop leek, met de geur van Dettol en nadat we wat waren afgedroogd bracht G. me naar S. Deze patiënte liep druk in het rond op een zaal met zeven andere patiëntes en verder een aantal familieleden en verpleegkundigen. S. wilde steeds naar buiten, naar de regen, maar werd tegengehouden. Ze sloeg om zich heen en sloeg en krabde zichzelf, terwijl ze aan één stuk door kreunde en kermde en riep dat ze naar buiten moest.

S. was een kleine week eerder geagiteerd opgenomen met een recidief psychose. Ze was er zeker van geweest dat ze werd achtervolgd en wees belagers aan, die anderen helemaal niet zagen. Nadat anti-psychotische medicatie was gestart gingen de hallucinaties net als in het verleden snel over, maar S. bleef onrustig en wilde niet praten. Een paar dagen later werd ze heel rustig, te rustig eigenlijk, en een dag later veranderde het beeld volledig in de situatie die we nu aanschouwden. ‘Waarom wil je naar buiten?,’ vroegen we. ‘Ik brand, ik brand!,’ riep S. ‘Ze wil in de regen staan,’ zei haar schoonzus, die optrad als mantelzorger, ‘ze heeft pijn.’ S. liep inmiddels halfnaakt gillend rond en bleef zichzelf slaan en vooral krabben. Ze leek agressief maar richtte zich helemaal niet op anderen, alleen op zichzelf, tenzij anderen te dichtbij kwamen of haar weg naar buiten versperden. ‘Ze heeft last van een fistel, maar ze wil die niet laten behandelen. Ze is er bang voor,’ zei de schoonzus. ‘Er zal wel meer zijn gebeurd vroeger, maar daar praat ze nooit over. Ze heeft hulp nodig. Als ze thuis zo druk wordt geven we haar pillen, anders is het niet te doen. Maar nu helpt het niet.’

Op de polikliniek had ik de laatste weken opmerkelijk veel patiënten met heel nare allergische reacties op medicijnen gezien, zowel op anti-epileptica als op tranquillizers. Ik vroeg me af of er ergens in de stad een vervuilde zending pillen was geweest. In de kliniek gebruiken we alleen medicijnen van betrouwbare leveranciers en had niemand hier last van gehad, maar er ging me een lichtje op. ‘Wat geven jullie dan voor pillen?,’ vroeg ik. ‘We hadden tranquillizers, maar die waren op. We moesten eerst nieuwe kopen in de stad.’ We lieten de schoonzus meer vertellen. De nieuwe pillen waren ze gaan kopen toen S. in de kliniek onrustig bleef en hadden ze haar gegeven buiten medeweten van de verpleging en daarna was S. zo rustig geworden. Wat S. nu toonde, kon haast niet anders dan een allergische reactie zijn.

We gingen ze ziekenzaal af en ik legde de verpleging uit wat ik dacht. Die haalden weer een handdoek die naar Dettol rook, gaven die aan S. en lieten haar in de regen de binnenplaats op. S. sprong in het rond, liet zich kletsnat regenen en kalmeerde. Daarna wikkelde ze de handdoek strak om haar ontblote bovenlichaam. De verpleging nam S. mee en smeerde haar in met mentholpoeder. ‘Dank je wel,’ zei S. en vroeg of ze mocht gaan slapen. Alle medicatie werd gestaakt en de volgende dag kregen S. en de schoonzus uitleg over haar ziektebeeld. Enkele dagen later ging ze zonder psychiatrische verschijnselen met ontslag, met een vervolgafspraak bij de psycholoog in haar handen kwam ze gedag zeggen.

S. heeft nooit meer tranquillizers van haar familie geaccepteerd, kwam wekelijks naar de psycholoog, kreeg begeleiding bij de behandeling van haar fistel en is niet meer psychotisch geworden. Ze heeft de psycholoog vertrouwelijk gesproken over enkele brute verkrachtingen vroeger. ‘Ik zal de fijne geur van Dettol nooit vergeten,’ zei ze, ‘het houdt me op de been.’ Herinneringen aan de lucht van Tipp-ex of Dettol zijn beter dan tranquillizers, dacht ik. Het brengt mensen op de been.

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)

Op een middag riep een van de arts-assistenten, een vrouw, me bij een opgenomen patiënte. De opnamediagnose was kraambedpsychose. Ik trof de patiënte met de arts en een verpleegkundige aan in een rustige kamer. De vrouw, Y, was 27 jaar en was anderhalve week eerder bevallen van haar derde kind. Zij stond bekend als een vrouw die zorgzaam was en goed voor haar kinderen zorgde. En als het zo uitkwam zorgde ze ook goed voor de buurkinderen. De bevalling was normaal verlopen maar twee dagen later was Y volgens haar familie verward geraakt. Ze gedroeg zich niet als zichzelf, was met haar gedachten ergens anders en snel geagiteerd. Zij zag mensen om zich heen die er niet waren, schold op ze en werd steeds bozer. Ze sloeg soms om zich heen. Slapen kwam er niet van. Voor haar kinderen zorgen deed ze niet. Y had een blanco psychiatrische voorgeschiedenis en er waren geen psychiatrische ziektes in de familie. De relatie met haar man was nooit problematisch geweest. Op de vierde dag na de bevalling werd Y naar het ziekenhuis gebracht en opgenomen. De baby werd verzorgd door de moeder en de zus van Y. Y werd behandeld met antipsychotica, maar dit leverde geen enkele verbetering op. Tot gisteren.

Y stelde zich adequaat aan mij voor. Zij wilde naar huis. De arts wilde weten of ik dat goed vond. Ik nam een korte anamnese af en stelde vast dat het bewustzijn helder was, dat er geen formele denkstoornissen waren, geen psychotische verschijnselen, geen affectieve bijzonderheden. Ik zag een coöperatieve vrouw waarvan je je amper kon voorstellen dat zij in de afgelopen week ernstig psychotisch was geweest. Over de psychose wilde ze niet meer praten. De verpleegkundige deed erg haar best om herinneringen aan de psychose bij Y naar voren te halen, maar zonder succes. ‘Ik ken mijn verantwoordelijkheden,’ zei Y. ‘Ik ben een goede moeder en daarom wil ik naar huis.’ Ik stelde Y voor dat zij op de afdeling wat zou gaan eten en gaf aan dat ik ondertussen haar dossier zou bestuderen. Daarna zouden we verder met haar overleggen. Y vond dit een redelijk voorstel.

Toen de verpleegkundige met Y was vertrokken naar de afdeling, slaakte de arts een zucht van verlichting. Niet omdat Y de kamer had verlaten, maar omdat de verpleegkundige de deur uit was. ‘Het is zo moeilijk,’ zei de arts. ‘Bij een puerperaal psychose moet je erg voorzichtig zijn en de verpleegkundige doet haar best, maar ik kan haar niet alles vertellen. Ik kan ook niet alles opschrijven in het dossier. Eerst dacht ik dat er een organische oorzaak moest zijn voor de psychose van Y, maar het was een atypisch beeld en toen Y helemaal niet reageerde op de medicijnen, ben ik gaan zoeken naar een andere oorzaak. Daarom ging ik gisteravond nog eens bij haar langs. Toen was ik alleen met haar. Y zei meteen dat ze bij me wilde biechten, als ik het aan niemand zou vertellen. En ik zei dat ik in vertrouwen zou luisteren naar wat ze wilde vertellen. Daarom kon ik niets uitleggen toen de verpleegkundige erbij zat, want dan zou iedereen weten wat er aan de hand is.’

Y had de arts verteld dat ze was verkracht door de broer van haar man. Ze was er zeker van dat de nieuwgeborene het kind was van deze zwager. Niemand wist van de verkrachting. Y had zich de hele zwangerschap schuldig en beschaamd gevoeld, maar nooit iets laten merken. Tot ze na de bevalling in de war raakte. Tijdens de opname had ze de arts ervaren als een betrouwbare vrouw en toen ze bij haar had ‘gebiecht’ was de psychose per acuut voorbij. Door te biechten had ze haar schuldgevoel ingewisseld voor haar gebruikelijke verantwoordelijkheid en haar psychotische symptomen waren verdwenen, net als de agitatie en boosheid. We besloten om de medicijnen te stoppen. De volgende dag zou Y naar huis vertrekken, want het was te ver om nu in de avond nog naar haar dorp te gaan. Daar zou niemand ooit weten van de verkrachting, waar ze zich schuldig over had gevoeld.

Kraambedpsychoses werden door de jaren heen dan weer eens wel en dan weer eens niet als een afzonderlijk ziektebeeld gezien. Y had geen verhoogde kwetsbaarheid voor een kraambedpsychose: geen bipolaire stoornis, geen schizofrene stoornis, geen andere psychiatrische ziektes in de voorgeschiedenis of in de familie. Geen aanwijzingen dus voor een genetische predispositie. Bij vrouwen met een kraambedpsychose zonder psychiatrische voorgeschiedenis wordt meestal gedacht aan een organisch psychosyndroom met een zichzelf limiterend hormonaal karakter (vaak als de menstruatie weer op gang komt). Bij Y was de genezing dermate snel en abrupt, dat we aan geen van beide vormen dachten, maar aan een pathologische stressreactie. In welke statistische categorie Y valt zullen we nooit weten, omdat wetenschappelijk onderzoek in Afrika op dit vlak niet wordt gedaan. Mogelijk zijn er wetenschappelijke studies te vinden over Zuid-Afrika, maar verder niet.

Bij het vertrek van Y de volgende morgen werden goede vervolgafspraken gemaakt. Y heeft geen terugval gehad. Drie maanden later informeerde ik nog eens bij de arts naar Y en het bleek haar nog steeds heel goed te gaan. ‘Ze is gewoon weer zichzelf. Ze heeft het leven geaccepteerd zoals het is en de vrede in de familie bewaard. En ik kan wel leven met een geheim, geen probleem. De baby maakt het heel goed.’

Er is niet zoveel ‘bijzonder Burundees’ aan deze casus, behalve dat er weinig statistische gegevens beschikbaar zijn en weinig onderzoek is gedaan naar kraambedpsychoses in Afrika. De discussie over wel of geen ziektebeeld speelt zich voornamelijk af in Westerse setting. Het zou wel interessant en relevant kunnen zijn om ook niet-Westerse gebieden te betrekken in onderzoek. Maar ach, niet-Westerse kunst hangt zelden in een gewoon museum, las ik laatst (hooguit in een Tropenmuseum), en wetenschappelijk medisch onderzoek is vaak beperkt tot de zogenaamde ontwikkelde wereld. Toch zou onderzoek in Afrika misschien hele andere kanten kunnen belichten, waar Westerse vrouwen ook van kunnen profiteren; wie zal het zeggen? Ik vergelijk het met het ontbreken van onderzoek naar de reactie van mensen in Afrika op trauma en stress. Zij reageren vaker met een psychose dan met symptomen van PTSS. Bij PTSS zijn in het Westen organische veranderingen in de hersenen aangetoond. Waarom reageren Burundezen dan eerder met een psychose en Westerlingen eerder met PTSS? Wetenschappelijk onderzoek in Afrika zou veel extra kennis kunnen brengen. Het voorkomen van kraambedpsychoses, en het verdacht zijn erop, is wel opgenomen in onze trainingen, net als overigens PTSS.

Misschien biedt de traditionele context een verklaring. Y heeft ook na de psychose geen moment overwogen om aangifte te doen van de verkrachting. De arts heeft later op de polikliniek Y’s emoties aan de orde gesteld. Y was er stellig over dat zij haar boosheid opzij had gezet en niet zou omzetten in wraak. Hierdoor kon zij beleggen in een stabiele omgeving, waar zij en haar kinderen veel meer aan hadden. Y zwijgt voor het leven over de verkrachting. De arts heeft met haar besproken hoe ze weerbaarder kan zijn, zodat zij, uitgaande van haar normale levenspatroon, niet opnieuw slachtoffer van verkrachting zal worden.

De kleine M., een normaal begaafd meisje van 2,5 jaar, had sinds twee maanden de gewoonte om gesprekjes te voeren met S. S. bestond helemaal niet, althans M. kon haar moeder niet uitleggen wie en waar S. was. Dat S. niet deugde, was de moeder uit de woordjes die ze opving wel duidelijk. Moeder was bang dat M. bezeten was geraakt, maar nu er in hun dorp gezondheidswerkers rondliepen die spraken over psychologie, besloot zij om niet meteen naar de traditionele genezer te gaan en navraag te doen over psychologie. De gezondheidswerkster C., die de basistraining GGZ had gevolgd, onderzocht netjes alle aangeleerde aspecten en stelde vast dat M. waarschijnlijk een psychose had, dus ze nam M. en moeder mee naar de dokter. Ik had die dag dienst.

M. was een leeftijdsconform schatje. Zij keek opgewekt en belangstellend rond in de voor haar nieuwe omgeving van mijn spreekkamer. Moeder vertelde hoe M., die tot twee maanden geleden een gewone ontwikkeling had gehad en al helemaal zindelijk was, de laatste tijd tegendraads was. Op alles zei ze ‘nee’. Toch deed ze precies wat moeder vroeg en was ze ook niet ondeugend als ze dacht dat er even niet op haar werd gelet. En dan was er S., wat moeder erg verontrustte. S. kreeg voortdurend van M. op haar kop, omdat ze stoute dingen deed. Er moest een geest in M. gevlogen zijn, concludeerde moeder. Wat moest er dus van M. en de familie worden?

In de basistraining wordt wel degelijk informatie gegeven over de fysieke en emotionele ontwikkeling van kinderen, maar niet met details over de verschillende uitingsvormen daarvan. Dat is veel te gespecialiseerd voor basistrainingen. Ik complimenteerde C. dat ze M. naar me toe had gebracht, ze had haar lessen goed gevolgd. Daarna legde ik moeder en C. uit dat M. zo te merken een heel goede ontwikkeling doormaakte en niet psychotisch was. In de fase waarin een kind aan het leren is dat niet alles mag – daar dus zelf verantwoordelijkheid voor ontwikkelt – heeft het de neiging om toch ook te doen wat niet mag. Al was het maar uit de wens alles te onderzoeken, wat ook bij de ontwikkeling past.

Een kind van de leeftijd van M. begrijpt wel dat iets niet mag, maar kan een onderzoeksneiging niet onderdrukken. Als M. iets zou doen dat moeder niet goed vond, dacht ze de affectie van moeder te verliezen. Zo ontwikkelen kinderen zich nu eenmaal, op basis van hun eigen gedrag dat past bij een liefdevol optreden van de ouders. Moeder was een tijd terug nogal streng geweest tegen M., toen M. de doos met dure suiker had omgegooid en in haar broek had geplast. Daar was M. bezorgd om geweest. Ze had de gewoonte aangenomen om nu zelf al bij elke activiteit ‘nee’ te roepen, zodat ze liet zien dat ze het begreep en tegelijkertijd om haar eigen verantwoordelijkheid op te eisen. ‘Nee, nee, ik wil zelf. Mag niet.’

Ook had zij S. bedacht, magisch, die van alles deed wat niet mocht. Zo kon M. het slechte in haarzelf, zoals zij het dacht, parkeren bij S. en die vervolgens corrigeren. S. plaste in haar broek, gooide dingen om, was onbeleefd, schopte andere kinderen en werd dus de hele dag door M. berispt. Al die stoute dingen deed S. als het ware namens M., die haar eigen behoeftes aan recalcitrant gedrag bij teleurstellingen en haar onderzoekslust zo onder controle hield. Er was dus geen geest in haar, maar een fantasie-meisje uit haar gekomen. Dit is helemaal niet vreemd. Toen ik aan M. vroeg waar S. was, zei ze dat S. vandaag niet kon komen.

Ik stelde de moeder gerust, legde iets uit over het ingewikkelde maar prachtige leerproces tijdens de ontwikkeling, gaf aan dat M. een intelligente oplossing had gevonden om het goed en kwaad te kanaliseren en voorspelde dat S. zou verdwijnen zodra M. in een volgende ontwikkelingsfase kwam. Moeder was er nog niet helemaal gerust op. C. begreep het en sprak af dat ze M. en haar moeder wekelijks zou bezoeken. Drie maanden later kwam ik C. tegen. Zij vertelde dat S. al een maand van de aardbodem was verdwenen en dat M. zelfs niet meer wist wie S. was.

Een kind moet hard werken om zich te ontwikkelen. Fysieke waarnemingen, zintuiglijke waarnemingen, zich ontplooiende gedachten, wensen, het draagt allemaal bij aan de emotionele ontwikkeling. Dat je zoveel niet mag, valt niet meteen te begrijpen. Zie als klein kind al die dimensies maar eens op een rij te krijgen als je nog geen geweten hebt. Magisch denken is een middel om het onbegrijpelijke voorlopig te verklaren en er niet boos of bang van te worden. Met magische gedachten houdt het kind het idee, dat het gebeurtenissen in de hand heeft en er zelf invloed op kan uitoefenen. M. is een mooi voorbeeld, dat ik in latere trainingen ben gaan gebruiken. Kinderen ontwikkelen zich in Burundi net zoals in Europa. Toen ik er vele jaren geleden eens een ervaren Burundese psycholoog over sprak, zei zij direct: ‘Ja, het enige verschil is dat ze bij jullie meer speelgoed hebben.’ Wat ik toen als een bitse opmerking ervoer, is in het licht van de ontwikkelingspsychologie een treurige waarheid, weet ik inmiddels.

De casuïstiekbespreking is een van de vaste hoogtepunten in een week, met artsen en psychologen. We hebben hiervoor een ruimte weten te organiseren waar we niet veel worden gestoord en er is zelfs niet de gebruikelijke hinder van piepende en knersende deuren of van geschreeuw. Bij de ‘étude de cas’ draagt een hulpverlener eerst de verzamelde gegevens over de casus aan. Deze keer werd een beeld geschetst van een agressieve man, die een hardnekkige psychose had en niet te stabiliseren was. Hij dacht dat hij werd achtervolgd, hoorde stemmen, sprak verward, sloeg mensen, sloeg spullen kapot, leidde sinds 3 jaar een sociaal teruggetrokken leven en zijn studie was in het slop geraakt.

Daarna kwam de patiënt, student R. van 24 jaar, die vooraf had ingestemd met het gesprek. Hij lachte verlegen maar vriendelijk en zat er rustig bij. Al snel werd duidelijk dat hij last had van de gedachte te worden achtervolgd, maar dat hij zeker een coherent verhaal kon vertellen. Daarnaast had hij psychotische symptomen in de vorm van stemmen van vrienden die maar niet ophielden en die zeiden dat hij ging worden gepakt. Het was allemaal begonnen rond de politieke onrust in 2015, toen het op de universiteiten niet meer veilig was. Sindsdien wist niemand nog wie hij kon vertrouwen, elke bevriende persoon kon een spion blijken en je kwaad doen. Dat was de werkelijkheid. Dat hij nog steeds stemmen hoorde, stoorde hem het meest.
‘Praat je er wel eens over met bekenden?,’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei hij stellig, ‘het is een familiekwestie.’
‘Wat is dan het familieprobleem?,’ vroeg ik verder, denkend aan een familieruzie of zoiets.
‘De genocide!,’ antwoordde hij en hij schrok van zijn eigen stemverheffing.
Hij was toen nog net niet geboren, maar na wat doorvragen vertelde hij probleemloos een verhaal met naam en toenaam van politici in Burundi en Rwanda, die hij verantwoordelijk hield voor vele doden in de familie, voor zijn geboorte. De namen klopten en de door hem beschreven gebeurtenissen voor zover ik weet ook, al zal ik dat laatste in Burundi en Rwanda niet snel hardop zeggen. Maar er was genoeg om over door te vragen. Hij beschreef desgevraagd zijn vader als een teruggetrokken man, die niet veel uitvoerde maar agressief kon worden als er thuis druk op hem werd gelegd. Het gezin had afgeleerd om met hem te praten. De moeder was een vrouw die sterk haar wil oplegde, hard werkte om het gezin te eten te kunnen geven, veel van haar kinderen eiste en in het bijzonder niets zag in therapie voor haar zoon nadat hij verward was geraakt. Kinderen wonen in Burundi tot hun huwelijk bij de ouders en zo bepaalde de moeder nog steeds het leven van R. Zijn zussen hadden een handelszaakje opgezet en geen problemen. Zijn jongere broertje was een kalme scholier. Thuis werden nu hoofdzakelijk praktische zaken besproken. De verhalen die hij als kind had gehoord over de moorden op zijn vaders familieleden kwamen nooit meer aan de orde.

Tijdens de onlusten en de dreiging onder studenten in 2015, nadat de omstreden derde regeerperiode van de president was begonnen en er een mislukte staatsgreep had plaatsgevonden, was hij in een psychische spagaat beland. Hij wilde uitdragen dat de politieke machthebbers verkeerde dingen deden, maar hij wilde niet doden en hij wilde zelf ook niet dood. Studenten vertrouwden elkaar onderling niet meer, want er liepen spionnen tussen en als je daar toevallig iets verkeerds tegen zei was je je leven niet zeker, was gebleken. Uiteindelijk was zijn psychische weerstand onvoldoende geweest en was hij er psychotisch van geworden en gebleven.
‘Ik ben een kalme jongen, maar nu te kalm om te studeren. En het lukt gewoon niet om de lessen in me op te nemen als ik steeds die stemmen hoor,’ constateerde R.
‘O en die agressie?,’ vroeg ik.
‘Ben ik agressief?,’ zei hij verbaasd.
‘Ja!,’ riepen de aanwezigen tegelijk, ‘je hebt hier toch die deur vernield?’
‘Ja hallo,’ zei R kalm, ‘dat kwam doordat ik ineens werd vastgepakt en moest worden opgenomen volgens jullie, maar dat wilde ik niet. Dus ik heb me verdedigd, zo is het gegaan. Ik bied mijn excuses aan en dat had ik eigenlijk eerder moeten doen.’
Het hele gezelschap had ademloos geluisterd, maar zat na dit antwoord in verwarring met een mond vol tanden. Het bleek allemaal te kloppen.

Om meer te weten over zijn sociale gedrag vroeg ik naar zijn vrienden. Hij had vrienden, genoeg zelfs, en die zeiden allemaal dat hij net als zij weer moest gaan studeren. Ze wilden hem helpen met de lessen. Hij ging ook voor de gezelligheid soms met zijn vrienden op stap en dan hadden ze het niet over het gebeurde in 2015, want dat was veel te confronterend voor iedereen en bovendien wist je nooit of er toch nog een spion in de omgeving was. Dus ze spraken ‘gewoon over waar jongens over praten,’ zoals hij uitlegde, dus over voetbal en meisjes en het was altijd erg gezellig. Er was geen sprake van alcohol- of druggebruik. De hulpverleners werden nog stiller, want het is waar dat er nog altijd onder studenten wordt afgeluisterd. (Elders ongetwijfeld ook, maar studenten vormen een potentieel grotere bedreiging als mondige mensen met opgebouwde kennis, in een land waar weinig opgeleiden zijn als tegenwicht tegen de overheid.)

R toonde precies wat je hier vaak ziet, maar wat westerse behandelaren niet kennen: posttraumatische problematiek in de vorm van een psychose en niet in de vorm van het bekende syndroom ptss, zoals zijn vader overigens mogelijk wel zou kunnen hebben. Als tweede generatie getraumatiseerd en door de actualiteit onbewust in een ander soort ‘symptoomkeuze’ beland, had R van het gezelschap het etiket schizofreen gekregen, inclusief de knik in de levenslijn, wat niet meer bleek dan de studie die door de akoestische hallucinaties niet meer lukte. De artsen en psychologen beseften dat ze niet genoeg hadden doorgevraagd en te snel hun conclusie hadden getrokken, met de beste bedoelingen overigens. Ze zaten er stilletjes bij en ik besefte dat zij deze vragen misschien helemaal niet kunnen stellen, met hun eigen histories en mogelijke risico’s in dit land. Het staat niet duidelijk in deze vorm in leerboeken en dus wisten de Burundese hulpverleners ook niet beter. En voor hen was stoppen met studeren hetzelfde als sociale teloorgang, een term uit de boeken bij schizofrenie.

R stemde in met medicatie en individuele gesprekken om hem te helpen. Zijn moeder zou zeker geen toestemming geven voor systeemgesprekken en zijn vader zou het teveel uit zijn evenwicht halen, dus dat wilde R niet. Hij wilde de rust in het gezin zoveel mogelijk intact laten maar wel zelf veranderen. En hij wilde vooral van de stemmen in zijn hoofd af. Nadat R met een afspraak in zijn zak was vertrokken, ontstond een interessant gesprek met de hulpverleners over het interpreteren van gebeurtenissen en gedragingen, gesprekstechnieken en nuttige psychotherapeutische benaderingen. Wat had ik dit gesprek met R en de artsen en psychologen graag op film willen hebben, als illustratie van psychische problematiek in een post-conflict situatie, voor westerse én lokale hulpverleners. Een les over atypische posttraumatische stress ofwel een typisch postconflict trauma.

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)

 

Tijdens het spreekuur werd ik eens geroepen door de jonge arts M. die geen diagnose wist te stellen bij een meisje van 20 jaar. C. had zich zonder begeleiding op de polikliniek gemeld, wat nogal ongebruikelijk is, met hoofdpijn. Zij zat er mager en stilletjes bij in een schoon maar armoedig jurkje, het haar kort en praktisch geknipt. Ze maakte normaal contact en antwoordde wat traag maar vooral bedachtzaam op vragen. De formele denkfuncties waren intact, de intelligentie leek gemiddeld, ze wist waar ze was, had geen evidente hallucinaties of wanen. Haar stemming was somber maar niet depressief. Ze sliep slecht en piekerde veel. Ondanks de hoofdpijn kon ze haar werk als enige huishoudelijke hulp in een klein hotelletje net buiten de stad normaal doen. Dat betekende dat ze hard moest werken. Dat was ze gewend, zei ze. De hoofdpijn was er sinds een jaar en begon elke avond voordat ze ging slapen. Ze werkte elke dag tot ze ging slapen.

Bij verder doorvragen bleek C de tweede van vier kinderen, met een oudere zus en twee broertjes. Alle kinderen waren geboren na de genocide. Het gezin woonde een half uur van de stad en verbouwde wat bonen. Haar vader verdiende iets bij met de verkoop van telefoonkaarten, maar dat leverde niet veel op. De moeder van C was overleden bij de geboorte van het jongste kind, dat nu 15 jaar was. Vanaf dat moment moest C het gezin in hun lemen huisje verzorgen. Zij was de enige thuis die nooit naar school was geweest en ze kon niet lezen of schrijven. Haar oudere zus was altijd vaders favoriete dochter geweest, had nooit water hoeven halen, nooit hoeven koken en was inmiddels getrouwd. Vader was een aardige man, behalve tegenover C, die altijd op haar kop kreeg en door hem werd geslagen. Een jaar geleden had de tante van C. haar weggehaald uit huis en meegenomen naar het hotelletje, waar ze haar huidige baan had gekregen. Ze verdiende niet veel, maar zeker genoeg om in leven te blijven. En nu zat ze hier op de polikliniek vanwege haar hoofdpijn.

M. dacht dat C. een angststoornis kon hebben en stelde medicatie voor. We bespraken onze bevindingen en stelden vast dat dit niet zo zeker was. We zagen geen angstige stemming of affect. We zagen een meisje dat altijd was genegeerd als persoon, werd uitgebuit en mishandeld en niet zelfstandig in het leven stond. We besloten vooralsnog geen hulponderzoek te doen naar de hoofdpijn, geen medicatie te geven en haar te laten begeleiden door de vrouwelijke psycholoog J. op de polikliniek, om meer van haar te weten te komen. We prezen C. dat ze naar ons toe was gekomen en legden haar uit dat ze recht had op meer begrip in haar leven en dat ze vertrouwelijk kon praten met J. In de weken die volgden werd duidelijk dat C. een jaar eerder te horen had gekregen dat haar moeder niet haar echte moeder was. C. was een buitenechtelijk kind van vader, dat als baby in het gezin was opgenomen en al snel was ingezet als huishoudster. De tante was haar echte moeder. Ze was de tante dankbaar dat ze haar had meegenomen om haar te behoeden voor meer slaag, maar ze voelde zich schuldig tegenover haar vader dat ze bestond en tegenover haar broertjes dat ze hen in de steek had gelaten.

J wist een band met haar op te bouwen, haar in vele gesprekken emotioneel sterker en weerbaarder te maken. C. leerde om zich te uiten, tegen de tante te praten en een stevigere relatie met haar op te bouwen. Dat was niet eenvoudig gezien de complexe verhoudingen, maar ze hield vol, zoals ze altijd alles had volgehouden. Omdat systeemtherapie er niet in zat moest C. het allemaal alleen doen, maar ze deed het. Ze claimde vrije uren en ging voor het eerst in haar leven naar school, te midden van allemaal kleine kinderen. Zelf zei C. uiteindelijk dat ze haar leven opnieuw was begonnen. Vanaf de eerste dag dat ze naar school ging, verdween de hoofdpijn. Wanneer ze naar J. ging, liep ze altijd even bij me langs om een hand te geven en er ging voor mij een wereld open toen ik C. voor het eerst zag lachen. Maanden later liet J. me een briefje zien, dat C. haar had geschreven na afronding van de begeleiding. Het was in eenvoudig Kirundi en J. vertaalde het letterlijk: ‘Ik ben Burundese en ik kan tegen alles.’

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)

We gingen eens met een behandelequipe (arts, psycholoog en verpleegkundige) naar de gevangenis van Ngozi, toen een ngo dat project bij vertrek uit het land aan ons had overgedragen. Daar moesten we dan ineens tijd voor maken en geld voor vinden. Inclusief de reis kost dat drie dagen. We kregen de ngo-dossiers er gratis bij en ik vroeg maar niet hoe de toestemming van de patiënten hierbij was geregeld. Die instemming leek later overtuigend, gelet op het grote aantal patiënten dat we zagen. Mensen met raar gedrag worden als ze geluk hebben naar een ngo gebracht en als ze pech hebben naar de gevangenis. In de gevangenis verbleven 1.179 mannen met een straf van één tot 169 jaar in een setting van zo’n vijftig bij zeventig meter op een schuine heuvel. Slaapzalen met tot vijf hoog gestapelde tafels als bedden, met 100 man per zaal, ook overdag, overtroffen de filmbeelden waar Fellini beroemd mee werd. Het leken wel blokkendozen, die tafels, met hier en daar een provisorisch gordijntje. Chaos en zooi en geen enkele privacy. De gevangenen konden zelf kiezen of zij hun dagelijkse handje overheidsmeel inleverden om het te laten meekoken in de megapannen, of dat zij er in een donker gangetje zelf een vuurtje onder stookten; en of zij het zelf opaten of het als koekjes verkochten aan anderen. Binnenskamers was er een miniruimte voor christelijk religieus gebruik, waar verschillende groepjes door elkaar heen stonden te zingen, en op de ‘luchtplaats’ een stel schotten die als moskee dienstdeden.

Alles in Burundi duurt lang en dus ook het spreken met de directeur voordat we aan het werk konden, het vinden van de medische post, de verpleegkundige, de bevoegden, de sleutel en nog een en ander. Na een uur of vier lukte het uiteindelijk om enig systeem in de beoogde consulten te laten komen. Het kleine zaaltje met 84 wachtende patiënten werd op ons verzoek ontruimd en de patiënten moesten op de binnenplaats wachten. We lieten er drie spreekhoeken inrichten en verdeelden het werk. De 82 matrassen (geteld) in hoge stapels voor het raam bleven helaas zowel ruimte als licht weghouden, maar dat konden we niet veranderen. Een van de nieuwe patiënten was F., een man die vaak manisch was, met structurele grootheidsideeën, maar die zo door de omgeving was gestructureerd dat hij een schoolvoorbeeld van sublimatie toonde. Hij liep rond in een keurige broek en overhemd – hoe doe je dat hier in deze vuile chaos – met een map onder de arm. Hij was de vertegenwoordiger van de gevangenen en sprak met de leiding, wanneer nodig, over hun rechten. Jammer dat hij soms doorschoot in zijn denken en begon te slaan, maar alsnog genoot hij respect. We legden hem uit wat zijn ziekte was en schreven een lage dosering medicatie voor met de afspraak hem volgende maand weer te spreken. Hij schreef keurig op wanneer hij zijn medicijnen moest gebruiken.

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)

 

Mevrouw G. in de spreekkamer was geen patiënte. Ze zag er keurig uit en toch niet: een te groot, beige mantelpak met enorme zweetplekken onder de oksels. Kort haar, geen Grace Jones, geen ingevlochten stukken en geen chemische styling. Ze kwam van ver en was een jaar of 28. Het ging om haar man P., maar die was er niet bij. Hij was volgens het dossier, en volgens G., regelmatig geagiteerd en gebruikte al een tijd anti-psychotische medicijnen. G. zei dat hij wel bijwerkingen kreeg: rare bewegingen. Zij kwam nu een nieuw recept voor hem halen. Ik begreep de casus nog niet en stelde vragen. De man van G. had een psychiatrisch beeld ontwikkeld, maar hoe kwam dat dan? Het zou een combinatie van drank en psychiatrie zijn; wat er het eerst was, was moeilijk uit te maken. Hij was een keer in de provincie opgenomen geweest met onthoudingsverschijnselen van de drank – in welk land speelt deze vloeibare vijand geen rol? – en was niet te motiveren om met de drank te stoppen. Het gevolg was een vloedgolf aan familieproblemen en zingen en brallen. Bovendien raakte G. maar niet zwanger, dat was nog een probleem erbij. P. gaf al zijn geld uit aan dingen buiten de deur. Nu werd hij ook nog ontslagen, omdat hij zijn werk verzuimde. Hij weigerde om nog eens naar de polikliniek te komen en ontkende dat hij ziek was. Hij zou erg trillen en we konden bij zijn afwezigheid natuurlijk niet bepalen of dat door alcoholonthouding of door zijn medicijnen of door iets anders kwam. Zijn problemen bestonden al voor het huwelijk, maar de familie had gezegd dat G. dat als intelligente vrouw wel aankon en dat zij hem de gewenste stabiliteit zou bieden, maar het werd steeds erger. Hij gooide dingen stuk en sloeg nogal eens. Moesten we uitgaan van alcoholverslaving, al dan niet met psychotische aspecten of persoonlijkheidsproblemen? Of van een psychose in welke vorm dan ook? Wat zou er gebeuren als we geen medicatie voorschreven? We gaven de eerder voorgeschreven medicatie, onder voorwaarde – met aantekening in het dossier – dat G. haar man zou blijven motiveren om naar de polikliniek te komen.

Een maand later verscheen G. met haar man P. inderdaad op de polikliniek. De familie had een bruiloftsfeest in de hoofdstad en G. had de familie gevraagd om hem gewoon naar het ziekenhuis te brengen nu hij toch al in de buurt was, omdat zijzelf niet fysiek in staat was om hem te dwingen. Ze had buiten op hem gewacht en wist hem mee te krijgen naar de spreekkamer. Op basis van de anamnese stelden we vast dat P. al lange tijd leed aan schizofrenie en daarbij soms dronk. Hij had een scala aan extra-piramidale stoornissen en kon geen moment stilzitten. We legden hem op eenvoudige wijze uit wat schizofrenie was en dat zijn bewegingsstoornissen vermoedelijk werden veroorzaakt door de medicijnen. Met zijn instemming veranderden we de antipsychotica en vroegen hem om na een week terug te komen, wat hij deed, samen met G. Hij was een stuk kalmer, trilde niet en was gemotiveerd om deze medicijnen te blijven gebruiken. We bespraken nog de mogelijkheid van een depotpreparaat, maar dat vond hij te duur. Sindsdien komt hij zelf elke maand naar de polikliniek, waar hij ook begon te vertellen over de seksuele disfunctie, waar hij al jaren aan leed en die nu wat verbeterde. Hij ging ook weer naar zijn werk en drinken was verleden tijd.

G. was geen patiënte. Toch zou je haar gunnen om eens over zichzelf te praten; over haar verlangens, haar verdriet, waarom ze met deze man is getrouwd, hoe wanhopig ze is, wie haar steunt in de thuissituatie. Wat kan en doet ze zelf, waar haalt ze haar doorzettingsvermogen vandaan? Toch raar dat ik dit allemaal niet vraag, terwijl het wel over kwaliteit van leven gaat. Laat ik me leiden door het gegeven dat uithuwelijking in Burundi soms voorkomt? Dat ik bang ben om G. te kwetsen met mijn Nederlandse gedachten over haar situatie?

Veel casuïstiek draait om de combinatie van stigma en onwetendheid, wat we willen omvormen tot gerichte behandeling en zelfvertrouwen. Dat is niet moeilijk, je moet er alleen de tijd voor nemen.

Amy Besamusca – Ekelschot (psychiater in CNPK)